Over Ons

Welkom op mijn Website .

Mijn naam is François Smeets , woonachtig te Kinrooi in Belgisch Limburg !

Sinds  een aantal jaren ben ik bezig met 't kweken van Nigrigenissen .

Eerst  waren 't de gewone wildkleuren , nu ben ik al wat verder , en zijn de blauwe reeks aan de beurt , met wisselend succes .

 

veel plezier op mijn stukje hobby !! 

 

De Agapornis nigrigenis werd in 1904 ontdekt door Dr. Kirkman aan de Muguazi-rivier in Zambia. De nigrigenis is 13,5 cm groot en daarmee een van de kleinste Agaporniden. Hun voorhoofd en bovenkop is roestbruin overgaand in donkerbruin, kin, keel en wangen zwart (antracietkleurig), achterhoofd olijfgroen, mantel, vleugeldek en stuit dof grasgroen, onderborst, buik, flanken en anaalstreek geelachtig groen. Hun grote staartpennen vertonen een oranjerood-geelzwarte dwarstekening en groene staartstippen. Hun bek is rood, bovenaan overgaand in dieproze met aan de basis een witte washuid. Grijsachtige poten met bruine nagel en rond de bruine ogen een witte oogring. Verder natuurlijk de oranje, zalmroze borstvlek. Er is geen onderscheid tussen de geslachten, al zouden volgens sommige kwekers de poppen wat robuuster zijn en zouden de poppen een bredere snavelbasis hebben. 

 

In de jaren 1930 werden deze diertjes in grote getalen ingevoerd en kon men ze voor een peulschil aankopen. Dat maakte ze voor de meeste "commerciële" kwekers niet interessant en daardoor werden ze wat uit het oog verloren. Velen kruisten ze dan ook met andere witte oogring Agaporniden en dat bracht vele hybriden in omloop. Vandaag de dag kunnen we gelukkig nog over een klein aantal zuivere Nigrigenissen beschikken. Het is heel moeilijk om de kruisingen te herkennen maar enkele belangrijke punten zijn : 

- mosgroene stuit, vertoont bij kruisingen blauwe aanslag 

- borstvlek mag geen geel bevatten 

- teveel rood in het masker zou duiden op kruising met Lilianae of Fischeri. 

- Ze zijn kleiner dan andere Agaporniden en hebben een typische houding, net als de Lilianae. 

 

Ze zijn niet zo agressief als de andere soortgenoten, maar toch geeft men er de voorkeur aan om de paartjes in aparte volières of kweekkooien te laten broeden. Als nestmateriaal geven we verse wilgentakken waarmee de pop dan een bolvormig nest bouwt. De eieren worden om de andere dag gelegd, 3 tot 6 in totaal die dan 23 dagen worden bebroed. Meestal begint de pop te broeden na het tweede ei, maar uitzonderingen bevestigen hier ook de regel. Als de jongen uitkomen hebben ze grijze nestdons, wat na enkele dagen rozig begint te kleuren. Op de leeftijd van 9 à 10 dagen kunnen de jongen geringd worden. Na ongeveer 40 dagen verlaten de jongen het nest en dan worden ze nog een veertiental dagen gevoed. We moeten zorgen voor voldoende vochtigheid in en rond de nest. Dagelijks verse takken en regelmatig bevochtigen is hier dan ook de boodschap. 

 

Ze leven in een relatief klein verspreidingsgebied in Zuidwest Zambia, tussen de Zambezi Rivier in het zuiden en de Kafue Rivier in het noorden. Hun leefgebied zou nog slechts 2500 km² beslaan Hun verspreidingsgebied grenst aan dat van de Agapornis lilianea. Uit een studie die in 1974 door de Duitse arts en amateur-ornitholoog Dr. W. Gilges werd uitgevoerd bleek dat de Nigrigenis het meest te vinden was in de wouden langs de Zambesi. Deze wouden zijn langs de oevers slechts enkele meters breed en gaan over in droge savannen. In die savannen haalden ze hun voedsel dat bestaat uit allerhande zaden, bessen, vruchten en bladknoppen. De galeriewouden gebruiken ze voor beschutting; holen en spleten in de bomen gebruiken ze als nest en van de rivier word gretig gebruik gemaakt om in te baden, daar zijn ze naar het schijnt verzot op. Maar de populatie van de Nigrigenis schijnt de grote uitvoer van de jaren 30 minder goed overleefd te hebben dan aanvankelijk gedacht was. Hoe het komt is nog steeds een mysterie. De voornaamste reden is waarschijnlijk het veranderen van hun leefomgeving: door de oprukkende landbouw worden er meer en meer van deze wouden gekapt en zijn er minder drinkplaatsen voorhanden. De landbouwers verbouwen ook steeds minder millet. Daardoor wordt de voedselvoorziening voor de Nigrigenissen erg schaars. Ook hebben we nog de plaatselijke jacht op de Nigrigenissen; eerst en vooral om hun oogsten te beschermen en ten tweede voor de illegale vogelhandel. En ten slotte is het niet ondenkbaar dat één of andere ziekte een deel van de populatie vernietigd heeft.

 
De Zwartmaskeragapornis, Agapornis personata, leeft in het noordoosten van Tanzania.Deze dwergpapegaaien leven op grasvlakten waar her en der verspreid acaciabomen staan. Deze populaire agapornidensoort werd in 1887 ontdekt en beschreven. In 1925 werden ze voor het eerst in Europa geïmporteerd. De wilde Zwartmaskeragapornis nestelt in kleine spleten en holten.

Agapornis personatus - www.hobbykweker.be


De personata bestaat ondertussen in heel wat mutaties, zelf kweekte ik enkel met wildkleuren, die ik nog steeds de mooiste vind.

De standaardeisen voor tentoonstellingen vind je hier terug .


2. Voeding

Hun voedsel bestaat hoofdzakelijk uit zaden, bessen en vruchten. Als voedsel verstrek ik een basis agaporniden mengeling, aangevuld met trosgierst en dagelijks vers fruit of groenten, vooral appel en wortel behoren tot hun lievelingsvoedsel.


3. Huisvesting

Om praktische reden kweekte is ze vooral in kweekkooien (net zoals de taranta's en cana's) met in de zomer een pauze in de volière. In het verleden heb ik ze ook nog in de volière gekweekt en ook dit ging perfect met een drietal koppels bij elkaar in een volère van 2 m x 1 m.


4. Kweek

Beste zetten we de personata niet je jong in om te kweken, één jaar is toch de minimumleeftijd. Mannetjes mogen zelfs iets ouder zijn.

In gevangenschap zijn ruime nestkasten aan te raden. 
Deze agapornidensoort bouwt van schors een komvormig nest. Ze bekleden dat met zachtere materialen zoals veren, gras en twijgjes. Bij voorkeur gebruiken ze wilgentakken. Personata's slepen heel wat materiaal naar hun nestkast net zoals de roseicolli, ik voorzie in het kweekseizoen dus dagelijks verse takken.

De 5 tot 6 eieren , die volledig wit zijn (zoals bij de meeste holenbroeders), worden 23 dagen bebroed. De jongen verlaten het nest na ongeveer 44 dagen. 


De jonge vogels dienen op de zevende of achtse dag geringd te worden met 4.5 mm ringen.